De virtuele minnaar
Mijn minnaar wil me ontmoeten. Ik ga op zijn schoot zitten, kus hem zacht in zijn hals en laat een hand onder zijn shirt glijden, maar vandaag lijkt hij ongevoelig voor mijn tedere liefkozingen. Het moet er maar eens van komen, vindt hij. Het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik probeer het gespreksonderwerp te veranderen en laat mijn vingers naar zijn bovenbeen afglijden, maar hij is onvermurwbaar. Hij zegt dat hij op zijn werk zit en niet te lang kan praten. 'Wanneer ben je er weer?' vraag ik.

Hij mokt. Hij mailt me nog wel, zegt hij, als hij tijd heeft. Nu is het mijn beurt om gepikeerd te zijn. 'Luister, dear', zeg ik. 'Het is een risico. Je weet best wat er op het spel staat.' Hij zucht en neemt me in zijn armen. 'Maar ik ben zo gek op je', fluistert hij. 'Ik droom iedere nacht van je. Ik wil je aanraken.' 'We kennen elkaar niet', antwoord ik. 'Als het fout loopt, is alles afgelopen.' Hij kijkt me aan. 'Je bent toch ook verliefd op mij?' Natuurlijk ben ik verliefd op hem. Al drie maanden wonen er vlinders in mijn buik die mijn ingewanden bestoken met hun digitale gefladder. Zijn post doet me sidderen - het is maar goed dat e-mail niet beduimeld kan raken ;-) en als we online zijn vergeet ik alle werelden om me heen. Maar hoewel ik net zo nieuwsgierig naar hem ben als hij naar mij, wil ik deze virtuele liaison niet laten bederven door een teleurstellende ontmoeting met een onbekende.

Mijn minnaar is een virtuele minnaar. Nee, wij liefkozen elkaar niet met behulp van groteske handschoenen, vreemdgevormde brillen, hulpstukken rond onze genitaliën of andere uitvindingen waarvan weleens de indruk wordt gewekt dat ze de noodzakelijke toegang tot virtual reality vormen.
Ons minnespel is veel eenvoudiger en gebaseerd op het oude principe van de roman en de liefdesbrief: wij liefkozen elkaar met woorden. Maar anders dan in de roman, waarin alleen de stem van de schrijver tot de lezer spreekt, en anders dan in de brief, waarbij de tussenpozen in de dialoog oneindig lang kunnen duren, lees ik zijn woorden van mijn scherm op het moment dat hij een return achter zijn zin tikt.

De voordelen van een virtuele minnaar boven een 'echte' zijn legio. Niet alleen is de seks probleem- en risicoloos (digitale seks hoeft op geen enkele manier rekening te houden met ontluisterende complicaties als ziekte of nageslacht, en de prestaties zijn vanzelfsprekend immer van buitengewoon niveau), maar ook in morele zin is de virtuele verhouding verrassend comfortabel.

Virtueel overspel is immers geen echt overspel, hebben mijn digitale vriendinnen en ik in onze eindeloze online-damestheekransjes besloten. Wij staan onszelf dan ook toe om het in alle vrijheid en met wie dan ook te beoefenen - waarbij het opbiechten aan de RLL (Real Life Lover) niet eens tot de verplichtingen behoort. Het geheim ligt in de definitie. Virtueel liefdesspel is immers, strikt genomen, niets meer dan het voeren van een gesprek over seks, of liever nog, op een computerscherm lezen en schrijven over liefde. En zou degene die zijn of haar partner zoiets kwalijk neemt niet te bekrompen zijn voor woorden. Daarnaast biedt de virtuele ruimte allerlei voordelen van praktische aard. Men hoeft het huis niet uit om de geliefde te ontmoeten, noch hoeft men thuis te ontvangen en daarmee het risico van ontdekking te lopen. Het lichaam vertoont geen sporen, verloren uren hoeven niet verklaard te worden en onverwachte ontmoetingen met nieuwsgierige en praatgrage kennissen zijn uitgesloten.

Mijn minnaar is een virtuele minnaar, maar hij bestaat wel degelijk. Ergens, aan het andere uiteinde van een glasvezel, zit een man die reageert op mijn woorden. Een man die tot mijn schrik besloten heeft dat ons virtual reality-spel wat hem betreft een opmaat voor de werkelijkheid vormt. 'Het is niet waar dat ik je niet ken', zegt hij. 'Ik ken je woorden toch? En woorden komen uit je hoofd.' Wat moet ik zeggen? Hij heeft gelijk. Wellicht is hij de enige die ooit werkelijk op mij verliefd is geworden - uitsluitend op mijn geest, zonder me mede op uiterlijke kenmerken te beoordelen. Fysiek zijn we vreemden.

Misschien is hij de behaarde man met de harde ogen die me op straat toesnauwt dat ik niet op het trottoir mag fietsen, of de bleke griezel die me te lang aanstaart als ik vóór hem in de supermarkt mijn avondmaal afreken. Het kan ook de gespierde skater zijn die me met een ontwapenende grijns voorbijstuift, of de knappe hoogleraar met de jongensachtige twinkeling in zijn ogen. Maar hoe overtuig ik hem ervan dat hij in alle gevallen door me te ontmoeten juist datgene kwijtraakt wat hem zo bijzonder maakt: het feit dat hij me, door alleen uit woorden te bestaan, iets nieuws biedt. En dat dat eigenlijk het enige is wat ik in hem begeer...